De erfenis

Vandaag ben ik opnieuw in mijn weefgetouw geklommen. Een trapper zat vast en ik kwam er maar niet achter, waar het aan lag. Mijn getouw stamt uit de jaren zeventig. Het is van een Nederlands merk –Mira- en het werd speciaal ontworpen voor alle vrouwen –en enkele mannen- die in dat tijdperk ineens nogal graag wilden weven. Het is een slim compromisgetouw. Je kunt een hele hoop met de acht schachten en tien trappers waarmee het ding is uitgerust. De weefbreedte is ook helemaal niet kinderachtig: zo’n 1.20 meter. Om het toch enigszins passend te maken voor de gemiddelde huiskamer van een jaren zeventigdoorzonwoning, is de achterkant ingekort. Dat is slim bedacht.
Bij het ontwerp van die geweldig slimme ingekorte achterkant is echter geen rekening gehouden met vrouwen van bijna ééntachtig, die behept zijn met brede heupen. Als ik zeg dat ik behept ben met brede heupen, dan heeft dat niets te maken met een ongezond of onrealistisch lichaamsbeeld, dat sommige vrouwen ertoe aanzet om elke ronding van hun lichaam tot een karikatuur uit te vergroten. Het is bij mij een feit. Gelukkig beschik ik eveneens over een vrij grote elasticiteit en heb ik tamelijk losse gewrichten.
Als je denkt, dat een weefgetouw niet bedoeld is om in te klimmen, dan vergis je je schromelijk. Een getouw is daar beslist wel voor bedoeld. Niet om op te klimmen. Maar wel erin. Kruipen, kun je ook zeggen. Of wurmen. In elk geval moet je je benen eerst over de buitenste balk aan de achterkant heengooien om daarna de rest van je lichaam heel zacht schommelend naar binnen te manoeuvreren.
Je zit nu ineengedoken met je rug onder de ketting en met je benen en armen bij de trappers en schemels. Die trappers en schemels zijn verbonden met koorden. De koorden zitten vast met plastic piefjes in gaten en zijn verbonden met de schachten. Ik raak daar altijd opnieuw van in de war. Uiteindelijk krijg ik het ook altijd weer voor elkaar om alles op de juiste manier met elkaar te verbinden, stof happend, terwijl mijn benen veel te lang veel te strak zitten opgevouwen en terwijl ik mijn handen en polsen in onmogelijke bochten wring. De schemels, trappers en koorden moeten uiteindelijk een georganiseerd, keurig op elkaar afgestemd geheel opleveren.
Ooit dacht ik het beter te weten dan mijn illustere, onbekende, onzichtbare voorgangster. Ik neem voor het gemak maar aan, dat het een vrouw is. Het getouw kwam via via tot mij.
Ik dacht, dat het beter was om de trappers op een totaal andere manier aan te binden. Natuurlijk had ik alles beter kunnen laten zitten, zoals het ooit zat toen het getouw tot mij kwam en ik het balk voor balk en trapper voor trapper weer opbouwde. Het is volkomen logisch, dat degene, die mijn getouw waarschijnlijk gedurende vele jaren heeft gebruikt, beweven, bezeten, heus wist, wat het beste werkte. Daar kom ik nu al stof happend alsnog achter.
Mijn getouw is letterlijk gepokt en gemazeld. Het oppervlak zit vol met putten. Het ziet eruit, alsof iemand er bijna in heeft gewoond. Er is ook van alles aan versleuteld. Zo maakte mijn voorgangster er een tweede achterboom op. Ik heb hem nog nooit gebruikt, maar in theorie is het handig voor bijvoorbeeld dubbelweefsels, of Moormantechniek. De boom is aan de zijkant uitgerust met een prachtig uit dik multiplex gezaagd tandwiel. Aan de voorkant monteerde zij een grote tl-balk. Die doet het nog steeds, zacht zoemend. Ontzettend handig, behalve dat ik nogal eens gevaarlijk struikel over het snoer.
Het getouw is tevens uitgerust met een vergeeld plakhaakje, waarop de volgende tamelijk mysterieuze tekst is te lezen: ‘Kunststof 2/7 – 30/10’.
Daarnaast kwam een ruime voorraad accessoires van haar tot mij. Natuurlijk was daar een sigarendoosje bij, met plastic piefjes. En een ander doosje met koordjes. Een zak met plastic ringetjes om trappers en schemels op gepaste afstand van elkaar te houden, zodat zij niet conflicteren. Ik kreeg ook drie flinke weefgewichten. Daarnaast bezit ik een klein scala aan onduidelijke onderdelen. Dikke bouten met moeren en schroeven. Een grote stevige veer met een stuk touw eraan. Plankjes met opstaande randen. Een vreemd gevormde ijzeren sleutel. En dat alles heeft zij –die ik niet ken- met zorg ingepakt in een witte katoenen zak van de Boomfeestdag van 1981.
Ik ben niet altijd netjes omgegaan met haar erfenis. Ik had wellicht beter voor het getouw kunnen zorgen, grondiger, minder achteloos, minder houtje touwtje. Maar vandaag ben ik er weer in geklommen. En niet alleen dat, ik heb ook de ijzeren stang met de schemels losgehaald, de stang vervolgens ingevet en tussen elke schemel extra ringetjes gestopt, zodat de afstanden evenwichtiger zijn geworden. Daarna heb ik alle trappers losgehaald en ook daar de onderlinge afstanden keurig verdeeld.
Ik hoop, dat ik daarmee weer een klein beetje goodwill heb gekweekt. Hoewel ik geen flauw idee heb, wat nu de doorslag gaf, noch welk euvel ik heb verholpen, tilt mijn trapper -nummer 6- weer keurig schachten één en twee naar boven, terwijl schachten drie en vier naar beneden worden getrokken. Ik kan weer door met mijn tapijtexperiment. In elk geval tot het moment, dat er weer iets anders klem zit, totdat er iets anders piept, of kraakt, of zelfs breekt.
Illustratie: de Mira Sigma. Aan de linkerzijde de verkorte achterkant, waar men in dient te kruipen.

Leave a Reply

Your email address will not be published.*